Nieuwe wetenschappelijke bevindingen veranderen ons begrip van hoe honden evolueerden van wolven naar de huisgenoten die we vandaag de dag kennen. Een studie gepubliceerd in Royal Society Open Science suggereert dat de fysieke krimp van de hersenen van honden – een veel voorkomende eigenschap bij gedomesticeerde dieren – niet helemaal aan het begin van de mens-hondrelatie plaatsvond, maar veel later, ongeveer 5000 jaar geleden.

De tijdlijn van domesticatie opnieuw definiëren

Jarenlang hebben wetenschappers gedebatteerd over wanneer honden precies fysiek van wolven begonnen af ​​te wijken. Hoewel genetisch bewijsmateriaal een verband aantoont dat al 15.000 jaar teruggaat, geeft dit nieuwe onderzoek aan dat het ‘domesticatiesyndroom’ – de reeks fysieke veranderingen die gepaard gaan met domesticatie – niet onmiddellijk plaatsvond.

Door CT-scans van schedels van 22 prehistorische exemplaren en meer dan 160 moderne wolven en honden te analyseren, ontdekten onderzoekers een significante verschuiving tijdens het Laat-Neolithicum (ongeveer 5.000 tot 4.500 jaar geleden).

Belangrijkste bevindingen uit het onderzoek:

  • De neolithische verschuiving: Honden uit dit tijdperk hadden hersenen 46% kleiner dan wolven uit dezelfde periode, vergelijkbaar in omvang met de hersenen van moderne mopshonden.
  • Het “Protodog”-mysterie: Vroege hoektanden die 35.000 en 15.000 jaar geleden naast mensen leefden, hadden geen kleinere hersenen dan wolven. Sommigen hadden zelfs grotere hersenen, wat suggereert dat vroege stadia van domesticatie feitelijk een toename van de hersengrootte met zich mee zouden kunnen brengen.
  • Vergelijkende schaal: Over het geheel genomen hebben moderne honden (inclusief dingo’s en dorpshonden) hersenen die 32% kleiner zijn dan die van moderne wolven, zelfs als er rekening wordt gehouden met verschillen in lichaamsgrootte.

Waarom zijn de hersenen gekrompen?

De vermindering van de hersengrootte is een veel voorkomend fenomeen bij gedomesticeerde soorten, maar de redenen daarachter blijven onderwerp van wetenschappelijk onderzoek. Onderzoekers hebben twee primaire theorieën voorgesteld waarom honden tijdens het Neolithicum ‘kleinere hersenen’ kregen:

  1. Energie-efficiëntie: In de omgevingen van vroege neolithische dorpen met beperkte hulpbronnen zouden kleinere lichamen en kleinere hersenen een evolutionair voordeel zijn geweest, omdat ze aanzienlijk minder voedsel en energie nodig hebben om in stand te houden.
  2. Gedragsreorganisatie: Een kleiner brein leidt vaak tot een reorganisatie van neurale paden. Dit kan ertoe leiden dat dieren meer op hun hoede zijn voor veranderingen in het milieu of minder gemakkelijk te trainen zijn, waardoor ze mogelijk effectieve ‘alarmsystemen’ worden voor menselijke nederzettingen.

Intelligentie versus anatomie

Het is essentieel om onderscheid te maken tussen hersengrootte en cognitief vermogen. De studie benadrukt dat kleinere hersenen niet gelijk staan ​​aan een ‘dommere’ hond.

“De domesticatie heeft ze niet dom gemaakt, maar ze zijn echt in staat ons te lezen en met ons te communiceren.”
Dr. Thomas Cucchi, hoofdauteur

Hoewel honden misschien een deel van de ruwe verwerkingskracht van wolven hebben verloren, hebben ze een gespecialiseerde intelligentie verworven: het vermogen om menselijke sociale signalen, gebaren en emoties te interpreteren. Deze ‘sociale intelligentie’ zorgt ervoor dat een hond als partner voor mensen kan functioneren, in plaats van als een roofdier dat in de buurt woont.

Conclusie

Dit onderzoek suggereert dat de band tussen mensen en honden in fasen evolueerde, van een losse associatie naar een diepgaande biologische transformatie, veel later dan eerder werd gedacht. Het krimpen van de hersenen van honden was waarschijnlijk een aanpassing in een laat stadium, aangedreven door de unieke ecologische en sociale druk van vroege menselijke nederzettingen.

попередня статтяOvermatig dutten overdag bij oudere volwassenen gekoppeld aan een hoger sterfterisico