De wereldwijde toename van het gebruik van GLP-1-receptoragonisten – in de volksmond bekend als ‘afslankprikken’ – heeft een aanhoudende vraag doen rijzen: Waarom bereiken sommige patiënten dramatische resultaten terwijl anderen weinig verandering zien of last hebben van aanzienlijke bijwerkingen?
Nieuw onderzoek gepubliceerd in het tijdschrift Nature suggereert dat het antwoord gedeeltelijk in ons DNA geschreven kan zijn. Wetenschappers hebben specifieke genetische variaties geïdentificeerd die van invloed zijn op de manier waarop deze medicijnen interageren met de eetlust en de spijsverteringsroutes van het lichaam.
De genetische connectie met GLP-1-medicijnen
GLP-1-medicijnen, zoals semaglutide (Wegovy) en tirzepatide (Mounjaro), werken door natuurlijke hormonen in de darmen na te bootsen. Deze hormonen spelen een cruciale rol bij het reguleren van de eetlust, de insulinesecretie en de spijsvertering. Omdat deze medicijnen zich richten op biologische routes, kan elke individuele variatie in die routes de effectiviteit van het medicijn veranderen.
Onderzoekers van het non-profit medische onderzoeksinstituut 23andMe analyseerden gegevens van bijna 28.000 patiënten om deze verschillen vast te stellen. Hun bevindingen brachten twee specifieke genetische varianten naar voren:
- Effectiviteit bij gewichtsverlies: De variant die bekend staat als rs10305420 werd in verband gebracht met iets hogere niveaus van gewichtsverlies bij patiënten die drager waren van deze variant.
- Gevoeligheid van bijwerkingen: De variant rs1800437 werd in verband gebracht met verhoogde gevallen van misselijkheid en braken bij patiënten die tirzepatide gebruikten, hoewel dit geen invloed leek te hebben op de hoeveelheid verloren gewicht.
Een stukje van de puzzel, niet het hele plaatje
Hoewel deze bevindingen een belangrijke stap zijn in de richting van ‘precisiegeneeskunde’ – waarbij behandelingen worden afgestemd op het genetische profiel van een individu – waarschuwen deskundigen ervoor de onmiddellijke impact ervan niet te overdrijven.
Marie Spreckley, een obesitas-expert aan de Universiteit van Cambridge, merkte op dat hoewel de studie ‘plausibel bewijs’ levert, de feitelijke invloed van deze genen relatief klein is. In een klinische setting lijkt genetica slechts één factor te zijn in een veel grotere, complexere vergelijking.
De belangrijkste drijfveren voor succes bij het afvallen zijn momenteel:
– Biologische seks: Hormonale en metabolische verschillen tussen mannen en vrouwen.
– Dosering en duur: Hoeveel van het medicijn wordt ingenomen en voor hoe lang.
– Geneesmiddelentype: De specifieke chemische samenstelling van het gebruikte medicijn.
– Gedragsfactoren: Levensstijlkeuzes, voeding en fysieke activiteit.
De weg naar precisiegeneeskunde
De ontdekking van deze genetische markers markeert een belangrijke mijlpaal in het begrijpen van de menselijke biologische variabiliteit. We zijn echter nog niet in een stadium waarin een DNA-test een arts kan vertellen welk afslankmedicijn hij moet voorschrijven.
De huidige consensus is dat, hoewel genetica een laag van begrip toevoegt, niet-genetische factoren de dominante drijfveren blijven van hoe een patiënt op de behandeling reageert. Voorlopig zullen klinische beslissingen afhankelijk blijven van de dosering, het type geneesmiddel en het gedrag van de patiënt in plaats van genetische screening.
Conclusie: Genetica speelt een meetbare, zij het bescheiden, rol bij het bepalen hoe effectief gewichtsverliesinjecties zijn en hoeveel bijwerkingen een patiënt kan ervaren. Hoewel dit onderzoek de weg vrijmaakt voor toekomstige gepersonaliseerde behandelingen, blijven levensstijl en klinische factoren de belangrijkste voorspellers van succes.
